In deze opdracht oefen je te kijken mét verbeeldingskracht naar alledaagse voorwerpen. Wat zou dit nog meer kunnen zijn?

Benodigdheden


Alledaagse voorwerpen

Bijvoorbeeld:

  • haarborstel
  • theedoek
  • koektrommel
  • afwasborstel
  • tafelkleed
  • sok
  • schrift
  • potlood

Introductie

  • Ga met elkaar in een kring zitten rondom de voorwerpen.
  • Bekijk de voorwerpen één voor één en bespreek:
    Wat is het?
    Hoe gebruik je dit voorwerp?
    Bijv: een haarborstel => gebruik ik om mijn haren te borstelen
  • Vraag een paar kinderen om uit te beelden hoe je de voorwerpen in het “echte” leven gebruikt.
  • Let uit dat er in je fantasie (doen alsof, verzinnen, spelen) veel meer kan dan in het echt. Vergelijk fantaseren met dromen, waarin ook alles kan wat je maar bedenkt.

Kern

 

  • Bekijk de voorwerpen nog eens, één voor één.
  • Wat zou dit – als we onze fantasie gebruiken – nog meer kunnen zijn?
  • Hoe zou je het nu gebruiken?

Bijv: haarborstel = microfoon => gebruik ik om in te zingen

  • Geef het voorwerp door in de kring.
  • Als je een idee hebt, dan mag je dit uitbeelden (zonder te praten).
  • De klas mag raden wat er wordt uitgebeeld.

Verdieping

  • Verdeel de klas in groepjes van 4-5 kinderen.
  • We leggen de voorwerpen bij elkaar op de grond.
  • Elk groepje gaat een levend schilderij (tableau vivant) maken met een aantal voorwerpen (naar keuze).

Bijvoorbeeld: haarborstel & afwasborstel => microfoon van de zangers v/d band, koektrommel => drumstel van de drummer, tafelkleed => spandoek van de fans etc.

  • Maak in het levend schilderij duidelijk: wie je bent, waar je bent en wat je daar aan het doen bent.
  • Oefen zonder de voorwerpen, maar doe alsof je ze gebruikt.
  • De leerkracht loopt rond en probeert aan te sturen op een moment met actie!
  • Laat de groepjes aan elkaar presenteren mét voorwerpen.
  • Geef elkaar applaus!

Afsluiting

 

  • Bespreek of het duidelijk was wat de voorwerpen voorstelden.
  • Benoem wat mooie, verrassende, grappige, spannende momenten in het uitbeelden waren.
  • Herhaal de woorden: fantasie, voorwerpen, levend schilderij.

Informatie voor de leerkracht

Een spelopdracht geeft kinderen de kans om vanuit een onderzoekende houding (spelenderwijs) nieuwe kanten van zichzelf, de ander en de wereld om zich heen te ontdekken.

De leerkracht is spelbegeleider; het creëren van een veilige sfeer waarin leerlingen zich kwetsbaar op durven stellen is van essentieel belang.


Een paar tips:

Spreek af dat de kinderen hun eigen fantasie; ideeën, gedachten, gevoelens mogen uitbeelden, en dat er geen goed of fout bestaat in het doen alsof;

Hanteer enkele gedragsregels zoals ‘Als je speelt, concentreer je je op je eigen spel’ en ‘Als je publiek bent, luister je stil en kijk je aandachtig naar het spel van de ander’.

Zet zelf de eerste stap door te durven doen alsof. Onderzoek samen hoe je gezichtsuitdrukkingen (mimiek), lichaamshouding/bewegingen (non-verbale communicatie) en stem (intonatie) kunt inzetten om verschillende rollen en gebeurtenissen uit te beelden.